Geschiedenis van het Sint Anthony Gasthuis te Leeuwarden (deel 1)

Ruim zes eeuwen op een paar pagina's.

Een middeleeuwse stichting.
Tussen 1347 en 1351 was ruim een derde deel van de Europese bevolking gestorven aan de gevolgen van een langdurige pestepidemie. Het gevolg was dat overal veel zieke en berooide overlevenden en wezen rond zwierven om elders hun heil te zoeken. Gedreven door alle ellende die de pest had veroorzaakt baden de mensen om hulp aan de Heilige Sint Anthonius van Egypte (251 – 356 na Chr.).  Als rijke jonge man had hij al zijn bezittingen aan de armen gegeven om zich daarna als kluizenaar in de woestijn terug te trekken. Hij wordt daarom beschouwd als de grondlegger van het kloosterleven en tevens vereerd als de behoeder en trooster van armen en zieken. In de tweede helft van de 14e eeuw, na de pestperiode, werden op veel plaatsen in kerken en kapellen altaren aan deze heilige gewijd. Tegelijk werden er Anthoniusgilden opgericht naar voorbeeld van de gemeenschappen van lekenbroeders die al waren ontstaan na 1095 op initiatief van een Franse ridder Gaston Didier de la Motte. Deze gilden of broederschappen, waarvan er zeker drie in Friesland historisch aanwijsbaar zijn, boden hulp en steun aan zieken en armen. Tevens verleenden ze soms onderdak aan arme reizigers.
De attributen waarmee de Heilige Anthonius werd afgebeeld zijn meestal een bel, een varken, een boek en een steunstok. Hij was onder anderen ook de patroon van varkenshoeders en vleeshouwers. We weten dat in middeleeuws Leeuwarden relatief veel vleeshouwers woonden aan de Grote Hoogstraat, toen hét economisch centrum van de stad. Sommigen van hen maakten zelfs deel uit van het stadsbestuur. Of er in Leeuwarden een Sint Anthonygilde of broederschap heeft bestaan is (nog) niet aangetoond. Maar het kan nauwelijks toeval zijn dat in de tweede helft van de 14e eeuw welgestelde Leeuwarder burgers (de vleeshouwers ?) een gasthuis met een eigen aan Sint Anthonius gewijde kapel aan de huidige Grote Kerkstraat hebben gesticht. Dit gasthuis verzorgde huisvesting van armen en hulpbehoevenden en bood tijdelijk onderdak aan arme reizigers. 
Het eerste schriftelijk bewijs van het bestaan van het St. Anthony Gasthuis vormt een oorkonde uit 1425 waarbij een adellijke dame uit het geslacht Burmania een erf zonder huis schonk aan het gasthuis ten nutte van “arme en ellendige lieden”.

Vrome schenkingen, proveniers en groeiende zorgverlening.
In de 15e eeuw ontving het gasthuis meerdere malen van aanzienlijke burgers en leden van adellijke en patricische families schenkingen van huizen en huissteden in de stad en soms van percelen land in de nabijheid daarvan. Uit de opbrengsten daarvan werden de kosten van het gasthuis betaald.
Maar ook konden oude alleenstaande burgers en burgeressen zich voor geld of vaste goederen in het gasthuis inkopen in ruil voor een levenslange verzorging. Zij werden “proveniers” genoemd.
Het bestuur van het gasthuis bestond uit voogden en voogdessen die behoorden tot de aanzienlijke bovenlaag van de bevolking. Veel van hen waren stadsbestuurders of oud-stadsbestuurders of verwanten daarvan, zodat de armenzorg en stedelijk belang hierbij gemakkelijk konden samengaan. Maar het waren onrustige tijden. Keizer Karel V trachtte het centraal gezag in de Nederlanden te versterken terwijl tegelijkertijd de eerste reformatoren voor godsdienstige onrust zorgden.
In 1525 droeg het stadsbestuur van Leeuwarden de zorg voor alle Leeuwarder armen op aan het St. Anthony Gasthuis. Als vergoeding stond daar tegenover dat het gasthuis de bezittingen ontving van het in dat jaar opgeheven Heilig Sacramentsgilde. Hierdoor kreeg het gasthuisbestuur tevens het bestuur over het St. Jacobs Gasthuis dat daarvoor bestuurd werd door het genoemde gilde. De middelen voor dit gasthuis bleken echter onvoldoende zodat het rond 1531 werd opgeheven en de eigendommen gevoegd werden bij die van het St. Anthony Gasthuis.

Benarde tijden en geldelijke zorgen.
Na 1550, maar vooral na het begin van de Tachtigjarige Oorlog in 1568, verslechterde de financiële positie van het gasthuis. In 1565 werd het gasthuis nog eens extra belast met de opvang van vluchtelingen van het door oorlogshandelingen geteisterde Friese platteland. Dit gebeurde in de speciaal voor dit doel ingerichte zogenoemde “beijer” aan de Beijerstraat. Tegelijkertijd stegen ook nog eens de kosten van zorg voor het groeiend aantal armen in Leeuwarden zelf. In 1583 wendden de voogden zich daarom uit bittere noodzaak tot het stadsbestuur om geldelijke bijstand.
Als tegemoetkoming ontving het gasthuis in 1584 een derde deel van de landelijke eigendommen van de drie in Leeuwarden gevestigde kloosters, die na de Reformatie in 1580 aan de stad waren gekomen. Veel soelaas bood dit eerst niet omdat nog jarenlang uit de opbrengsten van dit bezit de pensioenen aan de voormalige priesters, monniken en nonnen moesten worden betaald.
Later echter zou dit grondbezit samen met het bezit waarover het gasthuis inmiddels beschikte, de basis gaan vormen voor een solide financiering.

Welvaart in Friesland en bloei voor het gasthuis.
Nadat de noordelijke Nederlanden rond 1600 vrij werden van de oorlogshandelingen groeide de economie in vooral de Hollandse gewesten spectaculair. Ook Friesland deelde in de toenemende welvaart van de Gouden Eeuw. Met name de Friese landbouw en veeteelt floreerden en als gevolg daarvan stegen de pachtinkomsten van het inmiddels aanzienlijke grondbezit van het gasthuis.  Het Sint Anthony Gasthuis werd uitgebreid met meer kamers, betere eet-  en verpleegzalen. Een statusverhogend element werd toegevoegd in de vorm van een fraaie toegangspoort met een rijk gebeeldhouwde versiering voor de hoofdingang aan de Grote Kerkstraat.
 
 
 
 

(C) BWH Ontwerpers / Netsupport 2019